planreizenrondreistips

Ondergronds in de mijnen van Potosí | Bolivia

1 januari 2017 6 Comments

Het is het nieuwe jaar, dus tijd om mooie nieuwe verhalen te vertellen over gave bestemmingen! Vandaag deel ik een blog over een van de activiteiten op mijn to-do-lijst tijdens onze reis door Bolivia: een bezoek aan de mijnen van Potosí. Deze stad ligt hoog in de bergen, op wel vier kilometer hoogte, en je vindt er operationele zilvermijnen die je als toerist kunt bezoeken. En denk dan vooral niet aan een brave attractie met een toeristentreintje. Nee, het betekent dat je een kijkje krijgt in het leven van de mijnwerkers, dat je zelf ook op je knieën door sommige gangen moet kruipen en deel neemt aan rituelen om de god van de onderwereld gerust te stellen. Het is een van de meest indrukwekkende excursies die ik ooit heb gedaan.

Fotocredits

Potosí, stad in de wolken

Allereerst over de stad Potosí zelf. Een vrij aardige plaats, met mooie koloniale gebouwen rondom enkele pleinen. Het is de hoogst gelegen stad van Bolivia (sommigen zeggen zelfs van de wereld), op 4.070 meter hoogte. Potosí heeft zijn bestaan te danken aan het zilver dat hier vroeger door de Spanjaarden werd gewonnen. In de 16e en 17e eeuw was Potosí een van de rijkste steden op het Zuid-Amerikaanse continent. Tegenwoordig is het voornamelijk een arbeidersstad, waar jongens al op jonge leeftijd in de mijnen aan het werk gaan om geld te verdienen.

Excursie naar de zilvermijnen

In het centrum van Potosí regelden we een tour naar de mijnen voor de volgende dag. Samen met onze gids Christian, die vroeger zelf ook in de mijnen heeft gewerkt, gaan we op stap. We stappen in een een colectivo-busje naar de rand van de stad en de eerste stop is de plek waar we een beschermende overall en helm krijgen. Niet erg charmant, maar de mijnen zijn nogal een smerige en modderige bedoening en dan is een overall en paar rubberlaarzen een heel goed idee. De volgende stop is de lokale markt, waar we uitleg krijgen over de dingen die de mijnwerkers hier kopen. Zo zijn er staven dynamiet te krijgen (twee staven voor 10 bolivianos, oftewel nog geen €1,50!), pikhouwelen, touw, helmen en lantaarns. We doen wat inkopen voor de mijnwerkers van de coöperatie die we zo gaan bezoeken. We slaan wat staven dynamiet in, kopen flessen frisdrank en een zak cocabladeren. Deze laatste gebruiken de mijnwerkers op grote schaal, want door het kauwen van cocabladeren raken ze in een lichte trance en kunnen ze het eentonige en zware werk beter volhouden.

Naar het hart van de Cerro Rico

We nemen met de gids een colectivo die ons naar Cerro Rico brengt, de berg waar de erts gevonden wordt en waar de verschillende coöperaties allemaal een eigen ingang en afdeling in de berg hebben. We gaan eerst naar binnen bij het hutje waar de mijnwerkers even pauze houden. Ze spreken nauwelijks Spaans en staren leeg voor zich uit terwijl ze cocabladeren kauwen. We geven ze onze zak met coca en deze wordt gelijk verdeeld over de persoonlijke buideltjes die ze allemaal bij zich dragen. Dan gaan we met Christian de mijn in. We moeten naar binnen via een karrenspoor waar de hele tijd mijnkarretjes op grote vaart over naar buiten denderen. Ik vind het eigenlijk nogal eng, want we moeten onze stappen op het spoort steeds goed timen met de karretjes die vanaf de andere kant komen; er is op sommige stukken naast het spoor geen enkele ruimte en dus moeten we soms in volle vaart achteruit lopen als er ineens tóch een karretje aan komt zeilen. Ze hebben geen remmen, dus dan moeten we echt maken dat we weg komen. De adrenaline giert behoorlijk door mijn lijf en ik moet zeggen dat ik me niet erg veilig voel. De mijnwerkers vertrekken echter geen spier en lijken dit doornormaal te vinden.

 

Tío, heerser van de onderwereld

Als we eenmaal de mijningang door zijn en van het spoor af kunnen stappen, krijgen we uitleg over de mijn. Als eerste zien we Tío, ‘oom’ genoemd en bekend als de god van de onderwereld. Oftewel een soort Satan. Tío heerst in de mijnen en hij moet gunstig gestemd worden. Er worden dagelijks offers gebracht van drank, sigaretten en cocabladeren om Tío te vriend te houden. Daarna lopen we door de gangen verder naar een stel mijnwerkers van de coöperatie die aan het werk zijn. In de duisternis zitten zij hier in een verlaten gang bij het licht van slechts een hoofdlamp te zoeken naar stukjes erts in het steengruis. Ze bedienen schachten met emmers die op en neer gaan en werken shifts van tien tot twaalf uur in de berg zonder daglicht te zien. Poeh, wat een leven. Alle mijnwerkers die we zien, kijken niet erg vrolijk; half onder invloed van de cocabladeren waarbij ze hun werk in een roes doen. Het zware werk in de mijnen betaalt ongeveer $350 per maand. Veel jonge jongens doen het voor een tijd om genoeg geld te verdienen om hun studie te kunnen betalen, maar er zijn ook mijnwerkers die het werk al twintig jaar doen. Ik kan me er niets bij voorstellen, wat een hels leven.

Time to get out

We kunnen nog verder de mijn in, maar dit is het punt waarop Jesús het wel een beetje gehad heeft. Hij is nog nooit van zijn leven in een mijn geweest en vindt het maar niks. Eerlijk gezegd kan ik hem geen ongelijk geven, ook ik voel me niet erg op m’n gemak. Ik weet dat er dag in, dag uit mensen in deze mijnen werken en ook elke dag gewoon weer terugkeren naar huis, maar het voelt niet als een veilige of prettige plek. We besluiten dat we genoeg gezien hebben en laten ons weer naar buiten brengen. Hoe dichter bij de uitgang we komen, hoe meer we zo ongeveer beginnen te rennen. We zijn blij als we weer buiten staan!

En ook al klinkt dit verhaal heel heftig, ik zou toch iedereen aanraden deze tour te doen. Gewoon, zodat je wat extra waardering krijgt voor jouw saaie, maar oh-zo-veilige en zekere kantoorbaan in Nederland… Wij mogen echt in onze handjes knijpen. Zelfs Jesús vindt dat de mensen in Cuba het 10x beter hebben dan deze mijnwerkers.

Waar regel je een tour naar de mijnen van Potosí

Wij boekten onze tour bij Greengo Tours en gingen op stap met gids Christian. De tour kostte 130 bolivianos oftewel €17 per persoon. We hadden het tourbureau zorgvuldig uitgekozen; het wordt gerund door ex-mijnwerkers die de mijnen op hun duimpje kennen en zich actief inzetten om het leven van de arbeiders in de coöperaties te verbeteren. Onze gids kende veel mijnwerkers persoonlijk, waardoor we konden kennismaken met de jongens en mannen die hier weken achtereen zulk hard werk leveren. Ik raad de excursie van Greengo Tours zeker aan.

Pas op voor hoogteziekte!

Doordat Potosí zo hoog ligt – op meer dan 4 kilometer hoogte – moet je de impact van hoogteziekte niet onderschatten. Wij hadden voor ons bezoek aan Potosí al weken op hoogte doorgebracht in onder andere La Paz en Uyuni. Maar wie met een kortere rondreis bezig is, moet zich goed realiseren dat je lichaam wat tijd nodig heeft om te wennen aan de hoogte. Eerder schreef ik al eens dit artikel over mijn gevecht met hoogteziekte in La Paz.

Fotocredits

Slapen in Potosí: Hostal La Casona

Potosi ligt hoog. En dat betekent ook dat het er KOUD is! Brrrrr, als ik eraan terugdenk begin ik alweer te bibberen. Wij waren er in augustus en dat is natuurlijk hartje winter op het zuidelijk halfrond. Toen wij er waren sneeuwde het zelfs in Potosí! Als je een hotel of hostal kiest zou ik dus vooral als tip geven: zorg dat ze verwarming hebben. Of een dik pak dekens! Ik wilde m’n kleren eigenlijk niet eens uittrekken toen we gingen slapen, haha.

Qua accommodaties vond ik Potosí behoorlijk ondermaats. Jesús ik gingen in Bolivia meestal te voet een paar budgetopties langs om te kijken welke we het meest geschikt vonden, maar in Potosí zijn er niet veel fatsoenlijke opties. De enige aanrader wat mij betreft is Hostal La Casona. Het zit in een vrolijk geel geschilderd koloniaal gebouw, op twee blokken van de centrale plaza. Het ontbijt is inbegrepen en er is ook wifi. Simpele maar schone kamers voor als je een of twee nachten blijft.

Hostal La Casona, Calle Chuquisaca #460, Potosí. Een tweepersoons kamer met eigen badkamer en ontbijt kost 150 bolivianos (zo’n €20) per nacht.

Restauranttip in Potosí: Cafe La Plata

Wij brachten twee dagen door in Potosí en hadden dus tijd om verschillende restaurants en cafe’s uit te proberen. Tenminste, dat was het idee. Maar op dag 1 bleek er al snel een plek favoriet, waar we meerdere keren naar terug zijn gegaan: Cafe La Plata. Misschien had het te maken met de kou en de aangenaam opgestookte temperatuur binnen… Of het had alles te doen met de goddelijke warme chocomel die ze hier serveren. Ik vermoed dat laatste, haha. Het is een café in een prachtig gerestaureerd oud gebouw aan de centrale plaza van Potosí, met hoge plafonds, donkere houten meubels en grote ramen. Op de menukaart staan lasagnes, salades, huisgemaakte taartjes en sandwiches en alles wat we bestelden was lekker.

Cafe La Plata, Plaza 10 de Noviembre, Potosí. Tweepersoons diner tussen 100-120 bolivianos, oftewel rond de €13-15 voor een maaltijd met z’n tweeën, inclusief twee drankjes. Onze rekening voor de lunch was 65 bolivianos, oftewel €9 met z’n tweeën.

Meer lezen over Bolivia?

> 10x doen in Sucre, Bolivia
> Hoe boek je een goede (en goedkope) tour naar de zoutvlakte van Uyuni?
> Mooie baaien, sneeuwtoppen en ezeltjes op Isla del Sol 


Zou een bezoek aan de zilvermijnen van Potosí op jouw verlanglijst staan als je naar Bolivia gaat?

Dit artikel bevat affiliatelinks. Meer weten?

Artikelen die je misschien ook leuk vindt:

6 Comments

Dominique | dominiquetravels.com 3 januari 2017 at 16:49

Wat een bijzondere ervaring zeg! Ik zou dit zeker willen doen als ik naar Potosi zou gaan – hoewel het ook wel heel erg heftig klinkt!

Reply
Edith 7 januari 2017 at 22:26

Ja het is zeker heftig, maar erg indrukwekkend. Niet leuk, wel heel boeiend!

Reply
Jeanne 4 januari 2017 at 19:12

En weer leuke blogs. Nu over een land dat ik goed ken. Wat beschrijf je landen raak. Zo ook je Potosi-verhaal. Ik heb drie maanden in Llallagua / Siglo XX bij Oruru gezeten in de jaren 80 en ook verschillende keren een werkende mijn bezocht. Ik ben 1.85 m lang en de mijnen zijn misschien 1.60 m hoog. Soms doodeng met al die elektriciteit, maar ook heel goed om mee te maken wat het werken voor een hongerloontje betekent. Toen wat dat ca. 10 gulden – ja ja – per maand. Ik ben nu net terug uit Cuba en heb gretig gebruik gemaakt van je tips. Waarvoor dank. Mocht je nog naar Santa Cruz gaan: een vriend van mij Miguel Marin (ook op FB) runt daar een dansschool. Erg leuk contact. Met wat inspanningen van een balletschool in Nederland, wat vrienden en kennissen heeft hij een opleiding kunnen doen in Mexico. Hij is een neef van mijn peetdochter, die in La Paz woont. Dus mocht je nog wat contacten willen opdoen…

Reply
Edith 7 januari 2017 at 22:30

Dank Jeanne voor je uitgebreide reactie en wat fijn dat je m’n schets van Bolivia en Potosí mooi vindt. Dat vind ik leuk om te horen van iemand die het land zo goed kent. Ik vermoed dat ik niet binnenkort terug ga naar Bolivia, maar wat bijzonder dat een bekende daar een dansschool geopend heeft! En leuk zeg, dat je iets aan m’n tips over Cuba hebt gehad.

Reply
Chris W. 9 januari 2017 at 09:08

Toen ik er was vorige maand de karretjes niet gezien maar het was vooral krap in de mijnen….. met circa 2 meter en een niet te beste rug niet al te lang erin gebleven. Wel een hele experience!!! Verhaal volgt nog; heb net een artikel over de zoutvlaktes geschreven. Kwa hoogte ziekte: coca bladeren kauwen en/of snoepjes ervan kopen bij de drogist (de echte!!! waarvan je mond dus ook 30 minuten geen gevoel meer heeft). werkt het beste. Thee ook wel; maar kauwen/snoep is beter.

Reply
Edith 10 januari 2017 at 23:53

Pfoe ja, ik moet er niet aan denken hoe die mijnen zijn als je twee meter bent! Ik vond het met 1.70 meter al krap zat ;-) Ben benieuwd naar je verhaal straks! Ik vond cocathee overigens echt heeeeel smerig, soort van warm ronddrijvend gras… hahaha.

Reply

Geef een reactie